verleden en heden op historische grond
een beknopte geschiedenis: van Palts tot theater
Theater in en achter het historische Generaalshuis
Het idee om aan het Vrijthof (in het Generaalshuis) een theater/muziekhuis te vestigen is al sinds de jaren '50 een heikel onderwerp. Alle voorstellen in Maastricht, die in de loop der jaren gedaan zijn om achter het Generaalshuis een theater te vestigen, zijn als utopisch van de hand gedaan. Het was haast ondenkbaar dat de ruimte achter het Generaalshuis vrijgemaakt kon worden voor de bouw van een dergelijk theater. Pas eind jaren zeventig kwam daar verandering in. Maastricht had geen geschikte theaterlocatie meer die beantwoordde aan de eisen van de tijd. Het uit 1953 daterende Staargebouw was te klein en het meubilair was onderkomen. Op 15 augustus 1981, tien over negen kreeg het Theater aan het Vrijthof, het groene licht. Op 13 mei 1985 werd begonnen met de restauratie van het Generaalshuis, en op woensdagmiddag 13 december 1989 werd het officiële startsein voor de bouw gegeven. In maart 1992, na een bouw van ruim drie jaar, werd het Theater aan het Vrijthof officieel geopend. Een gebeurtenis die live op televisie is uitgezonden. De eerste directeur van het nieuwe theater was Piet van Hest (voormalig documentaire maker bij de KRO) In 2001 werd hij opgevolgd door Jacques Giesen, die voor deze functie onder meer werkzaam was als directeur van de Toneelacademie Maastricht en als lid van het College van Bestuur van de Hogeschool Zuyd.
Romeinse tijd
Al in de Romeinse tijd zou er voor het huidige theater een weg hebben gelegen. Deze met greppels omgeven Romeinse weg, welke vanuit Calais op het huidige Emmaplein uitkwam, voer via de Brusselsestraat naar de Grote Staat en maakte een scherpe bocht richting de toenmalige stadsgrens aan de Wolfstraat (de thermen). Of deze route echt zo heeft gelopen is de vraag, de meningen zijn hierover verdeeld. Zo bestaat de mogelijkheid dat de weg dwars over het Vrijthof heeft gelegen. Tot op heden is er echter geen weg gevonden…
In de Romeinse tijd bestond het Vrijthof nog niet; het was een drassig stuk uiterwaard buiten de stad. Het Vrijthof werd pas belangrijk toen Sint Servaas onder het huidige Vrijthof werd begraven (384)
Rond het jaar 400 trokken de Romeinen weg uit Maastricht en kwam de stad in handen van de Franken. Van deze tijdsperiode is zeer weinig bekend.
De historie van de locatie van het Theater aan het Vrijthof start vanaf de 5e eeuw na Christus. Volgens de overlevering stichtte een vrome boer uit het Belgische Tihange in 637 aan het Vrijthof een vrouwenklooster. Deze boer, Johannes Agnus (later bisschop van Maastricht), zou hiertoe zijn aangespoord door een engel. Dat deze legende onmogelijk op waarheden kan berusten, is gebleken tijdens het oudheidkundig bodemonderzoek dat voorafgaand aan de bouw van het theater tussen 1988 en 1989 is uitgevoerd.
Middeleeuwen
Neder-Lotharingen en het Heilige Roomse Rijk
Tussen de 6e en de 10e eeuw na Christus was Maastricht het centrum van Neder-Lotharingen en onderdeel van het Heilige Roomse Rijk. De Lotharingse hertogen, de opvolgers van Karel de Grote in deze streek, woonden hier in paltsen. Het oudheidkundig bodemonderzoek in 1989 heeft ons geleerd dat er in deze tijd op de plek waar het Theater aan het Vrijthof nu staat met hoge waarschijnlijkheid hertogelijke paleizen (paltsen) hebben gestaan. De eerste palts moet in het jaar 1000 zijn gebouwd. Rond 1200 werd de tweede palts gesloopt. Samen met de Sint-Servaaskerk en de Onze-Lieve-Vrouwe Basiliek waren dit de enige in steen opgetrokken gebouwen van Maastricht. Het definitieve bewijs voor het bestaan van deze palts zal waarschijnlijk nooit gevonden worden; in de archieven staat echter ergens geschreven: 'Giselbert bouwde muren rond zijn kerk en palts'. Hiermee werd melding gemaakt van de 10e eeuwse ommuring waarmee hertog Giselbert van Neder-Lotharingen het Sint Servaascomplex en de palts heeft verenigd. Het is niet onmogelijk dat deze palts door water omringd was.
Het Wittevrouwenklooster wordt bij overlevering het oudste vrouwenklooster van de Nederlanden genoemd, daterend uit de dagen van bisschop Johannes het Lam (Johannes Agnus), die het gesticht en gebouwd zou hebben voor zijn vrouw.
Hoewel de legende over de boer Johannes Agnus grotendeels naar het rijk der fabelen verwezen kan worden, heeft er op de plek van het Theater aan het Vrijthof wel degelijk een vrouwenklooster bestaan. Nadat de hertogelijke palts is afgebroken, is er in 1224 een nonnenklooster aan het Vrijthof verrezen. In dat jaar werd op initiatief van Rudolf van Worms uit Hildesheim de congregatie van de Witte Vrouwen gesticht. Officieel heette de congregatie, de "Penitenten van de Heilige Maagd Maria", maar in de volksmond werden zij vanwege de witte kleding "Witte Vrouwen" genoemd. Doelstelling van de congregatie was de bekering van gevallen vrouwen. Eén van de Kloosterlingen aldaar, was een meisje uit Riemst dat bij haar intrede het grote zwarte Christuskruis meebracht, thans ondergebracht in de St.-Martinuskerk van Wijck. Maar verreweg de bekendste was Mariken van Nieumeghen.
Mariken van Nieumeghen
De meest illustere van de Maastrichtse "Witte Vrouwen" is Mariken van Nieumeghen, die de laatste 25 jaar van haar leven in het Maastrichtse klooster zou hebben doorgebracht en er ook zou zijn begraven. Het mirakelspel dat zich afspeelt in de late middeleeuwen is een verhaal van drie steden: Nijmegen, Antwerpen en Maastricht. In Nijmegen werd het onschuldige dorpsmeisje door de duivel Moenen verleid. Ze reist met de duivel naar Antwerpen waar ze een zeer zondig leven leidt. Na 7 jaar krijgt Mariken berouw. Ze keert terug naar Nijmegen en wordt door een priester naar Rome gestuurd om bij de paus om vergiffenis te vragen. Deze gelastte haar ijzeren banden om haar hals en armen te dragen. Geketend keerde Mariken terug naar de Lage Landen waar zij intrad in het Penitentenklooster te Maastricht. Na enkele jaren van boetedoening verscheen er op een nacht een engel die Mariken van haar ijzeren banden verloste. Of Mariken van Nieumeghen echt bestaan heeft, is niet te bewijzen. De ijzeren banden zijn in ieder geval nooit gevonden.
Negentiende eeuw
Het Generaalshuis, Dibbets en 'De Stoomp'
Was het klooster gebouwd op de fundamenten van een wereldrijk gebouw, vijf eeuwen later, in 1805 om precies te zijn, werd op de fundamenten van de kloosterkerk weer een wereldlijk gebouw gebouwd: het generaalshuis. In 1794 veroverden Franse troepen Maastricht. Wijzigingen in de machtsverhoudingen betekende ook wijzigingen in het uiterlijk van de stad. Kerken en kloosters werden afgebroken en ook het vrouwenklooster aan het Vrijthof moest uiteindelijk wijken voor een groot stadspaleis. Opdrachtgever was handelaar Petrus de Ceuleneer, die François Hermans in 1803 opdracht gaf tot ontwerp en bouw van het Generaalshuis. Velen denken dat de architect Matthieu Hermans heette, maar gezien het feit dat hij zich altijd voordeed als “Monsieur Hermans” is de verbastering naar Matthieu niet zo vreemd. Slechts één muur, de dragende binnenmuur van het Generaalshuis en twee ruime kelders zijn van de oude kloosterkerk bewaard gebleven. Zelf heeft Hermans de oplevering van het Generaalshuis niet mee mogen maken; hij overleed in 1804.
Het generaalshuis was vanaf het begin verdeeld in twee gedeelten; het linker gedeelte omvat het huidige theatercafé, het tweede was van Petrus de Ceuleneer, met o.a. de huidige UITbalie. De zoon van De Ceuleneer, ook Petrus geheten had het financieel erg zwaar en verhuurde
aanvankelijk het linker gedeelte (theatercafé) aan generaal Bernardus Dibbets, van wie de naam “Generaalshuis” afgeleid is.
Later werd op 8 oktober 1825 het gehele Generaalshuis voor fl.35.640 gulden verkocht aan 'Den Heere Generaal Majoor provincialen Kommandant' Dibbets. Generaal Dibbets, Arnhemmer van geboorte, had van Koning Willem I de opdracht gekregen de vesting Maastricht te behouden. Dibbets’ impopulariteit was te herkennen doordat Dibbets in het Maastrichts vertaald werd als “diech bits” (jij bijt) en was veelal te wijten aan zijn buitensporig drankgebruik. Tot in het begin van deze eeuw was in Maastricht stomdronken synoniem aan 'Dibbets zaat'. Dibbets woonde er tot aan zijn dood in 1839. Na Dibbets hebben nog twee legerofficieren in het Generaalshuis gewoond: F. van der Capellen en A.J.J. Des Tombe. Maar er was een verschil. “De Stoomp” was wel geliefd. Na zijn dood kreeg “De Stoomp” een welgelegen rustplaats in het Waldeckpark, op een heuveltje in de schaduw.
Vele anderen waaronder veel welgestelde ondernemers hebben er later in de 19e eeuw nog gewoond.
Het Generaalshuis in de twintigste eeuw
In 1914 is het pand verkocht aan de Gemeente Maastricht. Het gebouw was achtereenvolgens de thuishaven van het stedelijk museum, de gemeenteontvanger, het stadsarchief, stadsbibliotheek en de gemeentepolitie (waarbij de vele Vrijthofduiven werden gekweekt en verzorgd door agent P. Marquet). In 1925 werd in de linkervleugel het museum voor schone kunsten gevestigd. Reeds in 1942 moest het museum eruit, daar de politie met ruimtegebrek kampte en het linker gedeelte ging gebruiken. De gemeenteontvanger zetelde in de rechter vleugel. Maar aangezien belastingbetaler en arrestanten door dezelfde deur naar binnen moesten, ging de gemeenteontvanger in 1962 naar de toenmalige stadskantoren aan de Maas. In 1977 verhuisde het zo met ruimtegebrek kampende stadsarchief naar de huidige locatie. Aan het eind was de situatie voor gevangenen achter het Generaalshuis zo mensonterend dat het politiebureau in 1978 naar de St.-Hubertuslaan vertrok. In 1978 werd het pand, nagenoeg onbewoonbaar verklaard, een dependance voor het conservatorium. Na vele jaren van plannen maken en verbouwingen opende het Theater aan het Vrijthof in 1992 haar deuren. Achter het generaalshuis werd het theater gebouwd naar een ontwerp van Arno Meijs, die ook verschillende theaters voor Joop van den Ende zal bouwen.
Theater aan het Vrijthof onder de loep
De voorkant van het Theater aan het Vrijthof (het Generaalshuis) is in neoklassieke stijl opgetrokken. Dit is te herkennen aan zijn geometrisch ontwerp en strikte symmetrie in de verticale driedeling van de gevel. De middenas wordt bekroond door een fronton waarin de personificaties van de handel en de landbouw in reliëf zijn uitgebeeld en is vervaardigd door de Luikse beeldhouwer Mathieu Tombay. Het kadaster toont aan dat er twee gescheiden woningen achter de gevel gepland waren. De middenpartij en de rechtervleugel diende als woonhuis voor Petrus De Ceuleneer. De Luikse schilder Charles Soubre bracht in 1860 in de salon op de eerste verdieping acht wandschilderingen aan met de personificaties van de vier jaargetijden, de vier elementen zijn allegorische voorstellingen van de architectuur, de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de poëzie. Thans is die salon erg geliefd voor onder andere huwelijken. Links van de middenas lag een kleinere woning met een eigen ingang. Achter de koetspoort van de rechtervleugel was een smalle gang die naar een fabrieksterrein achter het huis leidde. Het pand kende talrijke bestemmingen tot het eind jaren ‘80 zijn huidige bestemming kreeg van het Theater aan het Vrijthof.
De Papyruszaal
De Papyruszaal is de grote zaal van het theater. Zij heeft haar naam te danken aan de toenmalige sponsoring van de Koninklijke Papier Fabrieken N.V. De zaal heeft 920 zitplaatsen en heeft een zogenaamd lijsttoneel.
De eerste ‘versie’ van de Papyruszaal werd in 1992 geopend. Na intensief gebruik onderging de zaal een grondige opknapbeurt in de zomer van 2003. De stoelen zijn vervangen en er zijn meer zitplaatsen gecreëerd. Tevens is er meer beenruimte bijgekomen. In de zomer van 2004 is de toneeltoren verhoogd en zijn de trekkerwanden volledig geautomatiseerd.
Louis Derlon Foyer (ca. 1827-1902)
Het Theater aan het Vrijthof kent een drietal ruime foyers. De Louis Derlon foyer bevindt zich op de begane grond. Deze is indertijd gesponsord door Hotel Derlon. In 1857 opende de Franse chef-kok Louis Derlon (geboren ca. 1827), in Homécourt (dpt. Meurthe et Moselle), op de Markt in Maastricht een zaak: Café Impérial. Dit was een zogenaamd restaurant à la carte. In 1858 waren bij hem dagelijks verse oesters verkrijgbaar, hetgeen op klasse duidde. Een jaar later serveerde Derlon ook ganzenleverpastei en ijs; in 1862 bood hij ook detailverkoop van truffels, champignons, fijne erwtjes, cayennepeper en ander luxe zaken aan. Café Impérial bestond zeker tot 1863. In 1868 nam hij hotel Mauel op het Onze Lieve Vrouweplein over (de officiële koop was rond omstreeks 1870). Dit werd het latere Hotel Derlon. In 1894 overleed zijn echtgenote, Elise van Kan; in 1902 overleed Louis Derlon in Homécourt.
Koning Willem I Foyer (1772-1843)
De foyer op de eerste etage is vernoemd naar Koning Willem de Eerste. Willem I werd in 1772 geboren als zoon van de laatste stadhouder Willem V. Hij profileerde zich tijdens zijn leven als een zeer ondernemende koning. De koning verrichtte ook op regionaal niveau veel zaken; zo richtte hij net over de grens de cockerill fabrieken op en liet de Zuid-Willemsvaart graven. In 1824 richtte Koning Willem I bij koninklijk besluit de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM) op. De NHM is in 1964 met de Twentsche Bank gefuseerd tot de Algemene Bank Nederland (ABN). In 1966 fuseerden de Amsterdamsche Bank en Rotterdamsche Bank om de Amro Bank te vormen. In 1991 ontstond ABN AMRO uit de fusie tussen de Amro Bank en de ABN. Daar de ABN-Amro bank een van de sponsoren van het theater was, werd er een foyer naar de oprichter vernoemd.
Ferdinand Duynstee Foyer (1916-1999)
Mr. F.M.J.J. Duynstee, geboren in 1916, advocaat en procureur, bankier, industrieel, raadslid en wethouder (financiën) van Maastricht (1953-1966), vertrekt in 1971 naar België (Rekem). In september 1966 werd hij bestuurslid van de Stichting Gemeente-Spaarbank Maastricht, in januari 1967 lid van het dagelijks bestuur en medio 1967 voorzitter. Deze stichting ging via Spaarbank Limburg, waar Duynstee president van de Raad van Commissarissen was, op in de SNS-bank. Van de Raad van Commissarissen van de SNS werd hij in 1987 vice-voorzitter, totdat hij in 1988 wegens het bereiken van de statutaire leeftijdsgrens aftrad. In 1991 werd een sponsorbijdrage van de SNS bank aan het Theater aan het Vrijthof gedaan. Hierin vindt de naam van deze foyer haar oorsprong.