28 november 2007
“Ze kalle doa plat!”
Met deze woorden stommelt mijn vader-zaliger het huis binnen. Het moet ergens eind jaren 60 zijn geweest. Hij kwam terug van een bespreking op het Maastrichtse Stadhuis.
“Ze kalle doa plat!”
Voor ons, Belgen, was zoiets ondenkbaar.
Dat de burgemeester in ons dorp een wonderlijk soort Vlaams sprak, doet er even niet toe, maar dat hij ten gemeentenhuizen het dialect zou bezigen: onbespreekbaar.
Ons werd verboden om op het schoolplein dialect te spreken.
Dialect dat was geen taal. Dialect dat was een glijbaan naar de afgrond. Enkel het Algemeen Beschaafd Nederlands kon ons uit de duistere krochten der steeds meer verloederende samenleving weghouden. Het dialect, dat was de vleesgeworden ondergang.
En daar, in dat prachtige stadhuis, daar in Maastricht, daar sprak men zonder gène dialect.
Dat dat kon!
Nu blijkt ook Sinterklaas Maastrichts te spreken.
We leven ondertussen in de 21e eeuw.
Dat de Sint kon toveren, wist ik uit eigen ervaring.
Dat de Sint een talenknobbel heeft, dat is nieuw voor me.
Een zap-ronde langs een aantal TV-kanalen leert me dat de Goedheiligman buiten het Nederlands ook nog Duits spreekt (jawel, ik ben een Duits sprekende Sint tegen gekomen), Vlaams (naar gelang de streek met Antwerps of WestVlaams accent), Er-tee-el Nederlands en dan nu dus ook Maastrichts.
“Een man van de wereld”, hoor ik een moeder tegen haar kind zeggen.
“Woont in Spanje, spartelt zich op zijn leeftijd over al die daken heen en schakelt, zonder probleem, van de ene naar de andere taal”.
De Sint kan niet alleen toveren, hij heeft ook nog eens een talenknobbel.
Spaans heb ik hem níet horen spreken. Dat doet hij alleen als hij thuis is, heb ik me laten vertellen.
Sinterklaas, een man van de wereld.
Guido Wevers